Wielrennen is niet wielrennen!

“Huh, wat!?”

Ha ha, nee echt, er is een verschil!

Met de fietsgroep waar ik mee fiets is het zo nu en dan hard werken en ook afzien. De groep, ik ook, is in de afgelopen jaren veel sterker geworden en dat merk je aan de gemiddelde snelheid. Zo fietsten we afgelopen zaterdag gemiddeld sneller dan 30 km/uur. En in het zog kan ik dan prima meekomen, geen probleem.

Zaterdag fietste ik echter ook een klein stukje, met tegenwind, op kop. De groep volledig achter mij en mijn mede-kopman en de snelheid tussen de 29 en 30 km/uur. “Dit gaat nog best goed eigenlijk!” dacht ik. Helemaal toen mijn mede-kopman afhaakte en iemand anders inviel, toen voelde ik me even sterk. Maar helaas van korte duur. Ook mijn bovenbenen beginnen te branden, de wind blaast niet mals op mijn kop. Wanneer de snelheid zakt naar 27 km/uur vinden de mannen achter ons dat het genoeg geweest is en worden we in de luwte gezet.

Ik moet bijkomen, mijn benen zijn op dit kleine stukje nogal verzuurd! Maar dan krijgen we de wind in de rug en gaat de snelheid omhoog naar 37 km/uur… en verder naar dik 40 km/uur! “Mannen, kalmer aan!” roep ik. Wanneer ik een verbaasde reactie vanachter mij krijg, roep ik maar eerlijk: “Mijn benen zijn op!” De snelheid gaat terug naar 38 km/uur. Dit hou ik wel vol, maar met moeite. Niet piepen; even doorbijten, het einde van de weg komt snel dichterbij.

Het einde van de weg is daar en een hergroepering vindt plaats. “Uitfietsen” wordt er geroepen en ik laat samen met mijn buurman de snelheid zakken naar 26-27 km/uur. Op ons gemakje fietsen we voor de wind richting thuis, de benen krijgen eindelijk de benodigde rust. Dit fietst lekker! Zo kan ik, babbelend met mijn buurman, nog wel een hele poos doorfietsen.

Hoe anders was mijn fietstocht met mijn moeder gister. We fietsten, op souplesse draaiend, door het mooie en gevarieerde landschap van Zuidwest Fryslân. De gemiddelde fietssnelheid was 24,5 km/uur. Bij de ‘klimmetjes’ (Brug bij Spannenburg, Oudemirdumer Klif, Reaklif) laat mijn moeder me even gaan; ik schakel bij en knal zo hard mogelijk naar boven. Want ze weet; boven wacht ik op haar, zodat ik weer samen met haar verder kan fietsen. En dan hebben we genoeg tijd en adem om hele verhalen met elkaar te hebben. Dat vind ik hele waardevolle momenten. Die fietstocht met mijn moeder was 80 km lang genieten!