We fietsen tussen Opeinde en Drachten. Ik besluit nog even kort wat tegen de ploeg te zeggen. ‘Mijn’ ploeg. Dat gevoel groeit langzaam in me. Dit is het, het is begonnen. Mede door de trainingen die ik geef moet de ploeg in juni goed de bergen in kunnen komen.

Het heeft nog geen druk gegeven trouwens. Ook niet toen we vandaag een extra lusje hebben gedaan omdat ik een afslag miste. Uiteraard krijg ik het wel te horen, maar op een humoristische manier. We lachen erom en gaan verder. Hetzelfde is het geval met de lekke banden en het verloren pompje van vandaag.

Trainer zijn vind ik bij deze ploeg geen zware opgave. De ploeg is in de afgelopen jaren opgeleid tot een goed lopende machine en een sociaal team. Dit kwam ook naar voren op het moment dat één van de renners stuk was. Geen rare woorden! Nee, alleen maar lof omdat hij zo goed mee was gekomen. Want – buiten de lekke bandenstops om – lag het tempo weer best hoog vandaag.

Terwijl ik vlak voor Drachten langs de groep fiets en de dingen zeg die ik wil zeggen, komt er een gevoel op. Het gevoel dat ik trots ben. Trots op de ploeg en trots op het feit dat ik deze ploeg naar het einddoel mag leiden. Tot volgende week dame en heren. Dan gaan we weer lekker fietsen.