“We gaan buitendijks”, had ik aangekondigd. Buitendijks, daar waar je buiten de veilige dijken bent. Daar waar het landschap gevormd is door de gevolgen van het getij; eb en vloed. Daar waar het kan spoken.

De renners waren goed voorbereid. De (redding)vesten met helder gekleurde mouwen waren aangetrokken, zodat de renners in het water goed herkenbaar zijn. In de fietsbanden stond extra lucht. De lucht die ervoor zorgt dat de fiets bij extreem hoog water blijft drijven en het reddingsvlot kan worden. Natuurlijk horen daar ook de pompjes en nieuwe bandjes bij in het geval één van de banden het mocht begeven. En tot slot de nodige proviand; energiereepjes, bananen, koeken en water, veel water, omdat het zoute Waddenzee water niet te drinken is.

Niet lang voor 11 uur ’s ochtends doemt hij voor ons op. De dijk die water en land scheidt. De dijk die ons in het stuk tussen Dokkum en Blija nog mooi droog heeft gehouden. We moeten er over heen. De achterderailleurs van de fietsen bewegen, om de klim voor de benen wat vriendelijker te maken.

Boven gekomen een zucht van verlichting door het peloton. Het is laagwater en de vloed is ver weg. Vanaf de dijk hebben we een prachtig uitzicht over de kwelders, het wad en Ameland. Maar we kunnen er niet te lang van genieten. Het is tijd om aan de bak te gaan; de training te beginnen. Alle voorbereidingen en meegebrachte reddingsmiddelen ten spijt; het is tijd om zere benen te krijgen! Daar is geen redden meer aan…