“Hoe sterk is de eenzame fietser, die kromgebogen over zijn stuur tegen de wind, zichzelf een weg baant…”. De beroemde eerste zin van het liedje Hoe sterk is de eenzame fietser van Boudewijn de Groot. Die eenzame fietser… ja die heeft het tegen de wind best zwaar. Hij moet sterk zijn, hij moet het immers helemaal alleen doen. Het gekromde stuur van de racefiets helpt de eenzame fietser in zijn strijd. Onderin de beugels hangend kom je als eenzame fietser kromgebogen over het stuur een heel eind tegen de wind in.

Maar beter kun je in een groep fietsen als je tegen de wind in moet. Al moet je dan wel even weten wat de handigste methode daarin is. En daarvoor hebben de heren en dames wielrenners de waaier uitgevonden. De methode waarbij je als wielrenners bij elkaar in de luwte gaat fietsen en elkaar op kop afwisselt, zodat iedereen een korte zware inspanning heeft maar vooral ook veel in de luwte fietst. En dát was precies wat ik de renners in de training van afgelopen zaterdag wilde gaan leren. Even een techniektraining in al het duur-, interval- en klimgeweld van de afgelopen weken.

Bij het waaierrijden kun je in hoofdlijn 2 soorten onderscheiden; de enkele en (ja, wél) de dubbele waaier. Een goede waaier rijden is best wel een lastige techniek die je in je eentje als trainer niet voor kunt doen. Gelukkig zijn daar dan de bidons die gewillig een groepje wielrenners nadoen. Nadat de bidons in een eerste poging ze in formatie te leggen wegrolden (een dijk loopt af naar het water!) bleven ze bij de tweede poging netjes in de vorm van een enkele waaier liggen.

Met de bidons in formatie legde ik de theorie uit van de waaier, de rol van de wind en de beste wisselmethode. De renners stuurde ik in twee groepjes op pad. Eerst een snelheid van 20 km/uur, al snel opbouwend naar 25 km/uur. Tot mijn grote verbazing ging de techniek van het waaieren in beide groepjes eigenlijk in één keer goed! De snelheid werd nog iets verder opgevoerd en de groepjes reden nu met 30 km/uur enkele kilometers in de waaier. Dankzij de zijwind vanaf de Waddenzee kon de waaier op links èn op rechts worden getraind. Helemaal perfect.

Voor de laatste oefening met de enkele waaier deelde ik de groep op in een snelle en een wat  langzamere groep. De snelle groep liet ik gaan; zo snel mogelijk drie keer het parcours afleggen en bij elkaar blijven was de opdracht. De langzamere groep dezelfde opdracht, maar met een enigszins aangepaste snelheid. De snellere groep had de afstand met een gemiddelde van 33 km/uur afgelegd, wat met twee keerpunten behoorlijk vlot is. De langzamere groep reed gemiddeld 29 km/uur, het is maar wat je langzaam noemt. De waaiers draaiden keurig rond, alsof de renners nooit anders hadden gedaan en dat terwijl sommige wielrenners voor februari dit jaar nog niet eens een racefiets hadden!

Tot slot was het tijd om de dubbele waaier te gaan oefenen. Helaas was de tijd aan het opraken. Ik besloot de dubbele waaier uit te leggen (de bidons waren weer gewillig) en gaf aan dat we deze tijdens de rit terug naar Dokkum zouden uitvoeren. Met de wind in de rug en rustig in de dubbele waaier draaiend reden we richting Dokkum, telkens weer een andere renner als gesprekspartner naast je. Behalve de luwt, ook een leuk voordeel van zo een dubbele waaier.

Een waaier; niet alleen een sterk middel, maar vooral ook slim!